MusicMint AI Music Generator Logo
MusicMint

Duet Dutch Verbs (Past, Irregular)

country pop

Learn Dutch Fast (Sylvia)·5:11

Lyrics

Ik begin met mijn huiswerk.
Ik begon met mijn huiswerk.
Ik BEN met mijn huiswerk begonnen.

Ik begrijp het niet.
Ik begreep het niet.
Ik heb het niet begrepen.

Hij blijft thuis.
Hij bleef thuis.
Hij IS thuis gebleven.

Zij breekt het glas.
Zij brak het glas.
Zij heeft het glas gebroken.

Wij brengen de boeken.
Wij brachten de boeken.
Wij hebben de boeken gebracht.

Jij denkt aan vakantie.
Jij dacht aan vakantie.
Jij hebt aan vakantie gedacht.

Ik doe de afwas.
Ik deed de afwas.
Ik heb de afwas gedaan.

Hij drinkt zijn koffie zwart.
Hij dronk zijn koffie zwart.
Hij heeft zijn koffie zwart gedronken.

Zij eet een appel.
Zij at een appel.
Zij heeft een appel gegeten.

Wij gaan naar school.
Wij gingen naar school.
Wij ZIJN naar school gegaan.

Jij geeft hem een cadeau.
Jij gaf hem een cadeau.
Jij hebt hem een cadeau gegeven.

Ik heb een fiets.
Ik had een fiets.
Ik heb een fiets gehad.

Zij helpt haar broer.
Zij hielp haar broer.
Zij heeft haar broer geholpen.

Hij komt te laat.
Hij kwam te laat.
Hij IS te laat gekomen.

Jullie kopen brood.
Jullie kochten brood.
Jullie hebben brood gekocht.

Jij kunt goed zingen.
Jij kon goed zingen.
Jij hebt goed kunnen zingen.

U kijkt naar de film.
U keek naar de film.
U heeft naar de film gekeken.

Hij leest zijn boek.
Hij las zijn boek.
Hij heeft zijn boek gelezen.

Wij lopen naar huis.
Wij liepen naar huis.
Wij zijn naar huis gelopen.

Zij neemt een koekje.
Zij nam een koekje.
Zij heeft een koekje genomen.

Jij roept je hond.
Jij riep je hond.
Jij hebt je hond geroepen.

Hij rijdt naar zijn werk.
Hij reed naar zijn werk.
Hij is naar zijn werk gereden.

Ik schrijf een brief.
Ik schreef een brief.
Ik heb een brief geschreven.

De tiener slaapt lang. De
De tiener sliep lang.
De tiener heeft lang geslapen.

Hij snijdt het brood.
Hij sneed het brood.
Hij heeft het brood gesneden.

Wij spreken Nederlands.
Wij spraken Nederlands.
Wij hebben Nederlands gesproken.

De hond staat bij de deur.
De hond stond bij de deur.
De hond heeft bij de deur gestaan.

Hij valt van de fiets.
Hij viel van de fiets.
Hij IS van de fiets gevallen.

De trein vertrekt niet op tijd.
De trein vertrok niet op tijd.
De trein IS niet op tijd vertrokken.

Jij vindt de sleutel.
Jij vond de sleutel.
Jij hebt de sleutel gevonden.

Zij vraagt de weg.
Zij vroeg de weg.
Zij heeft de weg gevraagd.

Hij weet het antwoord.
Hij wist het antwoord.
Hij heeft het antwoord geweten.

Ik word niet boos.
Ik werd niet boos.
Ik BEN niet boos geworden.

Wij zeggen hallo.
Wij zeiden hallo.
Wij hebben hallo gezegd.

Jij ziet een mooie vogel.
Jij zag een mooie vogel.
Jij hebt een mooie vogel gezien.

Zij zingt veel liedjes.
Zij zong veel liedjes.
Zij heeft veel liedjes gezongen.

Hij zit op de bank.
Hij zat op de bank.
Hij heeft op de bank gezeten.

Wij zoeken de kat.
Wij zochten de kat.
Wij hebben de kat gezocht.

Zij zwemt in de zee.
Zij zwom in de zee.
Zij heeft in de zee gezwommen.

Jij bent heel moe.
Jij was heel moe.
Jij BENT heel moe geweest.

Like this song? Create something similar